HET ONTWAKEN
Ogen open, maar geen lichtstraal te aanschouwen. Oren gespitst, maar geen geluid op te vangen. Neusgaten wijd open, maar geen geur te bespeuren. Ledematen stijf, maar nog steeds jong. Een krakend geluid vulde de kamer. Het waren m'n beenderen die nog jammerde van het plotse teken van leven. Ik sloot m'n ogen weer, maar niets kwam in me op. Er was een leegte waar ooit onwaarschijnlijk veel gedachten gepasseerd waren. Een leegte die eeuwig mocht blijven duren, maar niet nu. Nu had ik iets te doen, ik voelde het.
Ik rechtte m'n rug en kraakte mijn nek, het was tijd om te beginnen. Ik draaide me naar m'n klok, maar vond mezelf terug zoekend naar de tijd die ik verloren was. Ik sprong uit het bed. Nog slaapdronken zette ik mijn eerste stappen in het donker. Schuifelend tastte ik de muur af, stap voor stap, voet achter voet als een soort dans, hoewel noch ik noch de muur wist wie leidde. Ik danste in de richting van mijn lichtschakelaar, maar tevergeefs. Het was duidelijk: dit was helemaal niet mijn kamer!
Ik gooide m'n handen tegen de muur, of het nu door irritatie of door pure angst was, wist alleen maar God. M'n hart versnelde, koud zweet gleed over m'n nek en voorhoofd. Ik draaide me puffend om, vrezend voor wat zich mogelijk voor me bevond. Ik zakte door m'n knieën en glijdend naar beneden greep ik met mijn handen naar m'n hoofd. Ik probeerde om me ook maar iets te herinneren, maar verloren moeite. Niets te herinneren, geen heugenis, geen leven, niets… Als een klein kind zat ik tegen de muur, de tranen nog missend.
Een lichtflits.
Het was zo verrassend als een bliksemschicht, het was zo verblindend als de zon op zijn hoogste punt op een perfecte zomerdag. Maar het was geen zomerdag. En het was allesbehalve perfect. Ik had mijn hoofd opgetild, het leek alsof ik wachtte op een donder om me wakker te schudden, om me te grijpen en terug te trekken naar m'n eigen kamer. Maar teleurgesteld liet ik mijn hoofd weer in het duister zakken. Plots weer een flits. En met de volgende stak ik m'n neus weer in de lucht. Terug duisternis. Lang licht. Toch weer donker. Weer lang licht. Ik probeerde me de flitsen van de kamer te herinneren, terwijl het lange duister me weer begon te irriteren. Licht is zoals het leven, een soort drug. Ik werd bevredigd met lang licht. Ik hoopte dat het niet meer weg ging gaan. Maar dan weer donker. Lang licht, donker, lang licht, donker, lang licht en weer donker. Dat het bed links stond, zag ik pas bij het volgende licht. En opnieuw langer duister, ik probeerde me terug recht te zetten met het licht nog op mijn netvlies gebrand. Met elke duisternis voelde ik weer een rilling over m'n lichaam. Maar ook met elke lichtflits voelde ik een soort warmte opkomen. Een flits verraste me plots. Met het lange licht dat volgde op het duister, zag ik een boek voor me op de grond liggen. Terug donker. Weer lang licht, ik durfde een paar stappen te zetten, terug duisternis. Weer lang licht. Donker. Tijdens het volgende licht raapte ik het boek op en bekeek het gauw, maar wijzer werd ik er niet van. Leeg was het en alsof het een messteek in m'n hart was, viel ik bij het volgende duister op de harde grond. Twee korte flitsen volgden elkaar op en ik lag als een ster op de grond. Met de twee lange lichtflitsen die volgden, sloeg ik m'n handen voor m'n ogen. En met de eerstvolgende, sprong ik recht en sloeg ik het licht kapot…
Het was donker. Rust. Ik voelde een warme druppel over mijn hand glijden. Zacht. Ik liet m'n armen zakken. Slap. De druppel viel en ik kon hem horen kapot spatten op de betonnen grond. Hard. Vredig. Een tweede druppel volgde. Panta rhei. De kloppende pijn in mijn hand negerend, opteerde ik ervoor om het bed naast me te laten en zette ik me rustig op de grond. Koel. Het was net als de duisternis. Verslavend. Mijn hoofd tegen de vloer. Rust…
Ik riep. Ik lachte. Ik liet me horen. Wat er zou gebeuren, wist ik niet. Noch wat er aan het gebeuren was. Maar ik moest het nog niet weten.
Ik ontspande m'n benen. Ik sloot m'n ogen. M'n handen die ondertussen op m'n buik lagen, gingen op en neer.
Op.
En neer.
Bloed gleed over m'n buik. Bloed lag op de grond. En bebloed viel ik in een onrustige slaap die allesbehalve duidelijkheid zou scheppen.
