DE DEMENTIE

Zijn het engelen die ons haten?

Is het god die ons vreest?

Is het jaloezie die drijft?

Met de vogels boven ons kraaiend en de wind voorbij ons vliegend stelen ze onze gedachten

Het menselijkst zijn we in ons brein

Het sterkst zijn we in onze geest

En geroofd worden we van onze menselijkheid als een schroothond van z'n leven

Geen respect noch waardigheid krijgend

Het is de spuit voor de ogen houdend voor het gebruik

Pijnlijk zijn de doelloze ogen die voor zich uitstaren met geen gedachten erachter

Onaanvaardbaar zijn de tranen rollend over de wangen met geen reden schuilend

Moordend zijn de vragen die het trillen veroorzaken

Hatend zijn de rinkels voor hulp

Oh, wat zijn we toch zwak

Ontnomen van het leven voor de eeuwige zeis gemaaid heeft

Bestolen van kennis voor de oneindige mantel geritseld heeft

Beroofd van het zijn voor de lange trap verschenen is

Is het een wachten op een laatste glimlach?

Is het een lijden tot een laatste afscheid?

Een kaars brandt toch maar zo lang

En toch is het een gezicht van vrees voor het vuur

Verstikt is ook zij het die smeekte voor hulp

Maar wenend waren wij het die naïef hoop koesterde

Hoewel verwarring als een golf over het strand bleef komen

Maar niet meer terugtrok

De herinneringen als het zand weggetrokken

En het plezier als de zon verzonken

De zee als beul een god

De mens als zand verdronken