DE BERG
De gouden rand lijkt toch plots oh zo dichtbij
Het is de zon verlangend naar onze arme gelaten
Maar een berg staat nog voor ons
Hij bedekt onze dromen en verwerpt onze verlangens
Hij bestempelt ons als miezerige, zielige wezens
Want wij zijn het die hopen verloren te geraken in het leven dat voor ons ligt
We haten de tocht naar de top
Het zweet brandt op onze voorhoofden
En de tranen staan gegroefd op onze wangen
We moeten onze eigen wegen volgen
Maar het beton in de natuur roept onze aandacht
Het is zoals het geluid dat de stilte doorbreekt
Het valt niet te negeren
Zij die dapper genoeg zijn om zich in de bossen te wagen
Vinden zich al snel verloren terug
Want verdwaald zijn met een doel is pas echt verloren zijn
En ondertussen trekt de welgekende rust ons aan
Maar toch is het onbekende datgene dat ons doet opleven
En wanneer de zonnestralen onze gezichten strelen
Zullen we hopelijk met een glimlach kunnen terugkijken
Naar wat voor gekkigheid ons leven was
